Eigenaar in de zin van de Natuurschoonwet 1928

Het begrip eigenaar

Onder eigenaar in de zin van de Natuurschoonwet 1928 (‘NSW 1928’) wordt op grond van artikel 1, lid 1, onderdeel b NSW 1928 verstaan:

  1. ‘de eigenaar van een onroerende zaak die niet is bezwaard met het beperkt recht van vruchtgebruik of, behoudens in gevallen als bedoeld in het derde lid, dat van erfpacht;
  2. de vruchtgebruiker, of, behoudens in gevallen als bedoeld in het derde lid, de erfpachter.’

Erfpacht

In het derde lid is vervolgens bepaald: ‘Indien een onroerende zaak bezwaard is met het recht van erfpacht wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, in plaats van de erfpachter de hoofdgerechtigde van die onroerende zaak aangemerkt als de eigenaar, indien de hoofdgerechtigde aantoont dat bij de erfpachter geen economische eigendom van de onroerende zaak berust.’

In het genoemde derde lid van artikel 1 NSW 1928 wordt ingegaan op de kwalificatie van erfpachter. Hierbij wordt enerzijds onderscheid gemaakt tussen de oppervlakte van de onroerende zaak. Anderzijds wordt onderscheid gemaakt tussen de zogenoemde ‘huurerfpacht’ en de ‘eigendomserfpacht’.

Indien de onroerende zaak groter is dan vijf hectare wordt niet de blooteigenaar, maar de erfpachter als eigenaar aangemerkt. Alleen in het geval de onroerende zaak kleiner is dan vijf hectare is het onderscheid tussen huurerfpacht en eigendomserfpacht van belang. Van huurerfpacht is sprake indien de economische eigendom van de onroerende zaak bij de blooteigenaar blijft rusten. Indien de economische eigendom bij de erfpachter komt te rusten is sprake van eigendomserfpacht. Degene bij wie in geval van erfpacht de economische eigendom rust, wordt voor de NSW 1928 derhalve aangemerkt als eigenaar.

Kort gezegd zijn onder het huidige recht drie erfpachters te onderscheiden:

  • de huurerfpachter van een onroerende zaak kleiner dan vijf hectare (geen eigenaar, de blooteigenaar wordt aangemerkt als eigenaar);
  • de eigendomserfpachter van een onroerende zaak kleiner dan vijf hectare (eigenaar);
  • de erfpachter van een onroerende zaak groter dan vijf hectare (eigenaar).

Bij een strikte lezing van de wet, valt de economisch eigenaar niet onder de definitie van het begrip 'eigenaar'.

De in dit kader van belang zijnde besluiten en artikelen treft u hieronder aan:

Appartementsgerechtigde

De appartementsgerechtigde wordt niet specifiek in de NSW 1928 genoemd. Dit is ook niet noodzakelijk zo blijkt uit de uitspraak van de Raad van State uit juli 2016.

De zaak werd in eerste instantie behandeld door Rechtbank Gelderland. De rechtbank boog zich over de vraag of de appartementsgerechtigde dient te worden aangemerkt als eigenaar in de zin van de NSW 1928.

In deze zaak was de eigendom van een onroerende zaak – welke op zichzelf voldoet aan alle voorwaarden die de NSW 1928 voor rangschikking stelt – gesplitst in appartementsrechten. Elk van deze rechten omvat een aandeel in het landgoed, alsmede het uitsluitend gebruik van een van de op het landgoed gelegen woningen. De rechtbank oordeelde dat deze eigendomssituatie sterk lijkt op de situatie van onverdeelde eigendom van een onroerende zaak en niet valt in te zien waarom de appartementsgerechtigde niet als eigenaar zou moeten worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt voorts dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever de appartementsgerechtigde expliciet heeft willen uitsluiten en een dergelijke uitleg van het begrip eigenaar niet het gevaar van misbruik van de NSW met zich brengt.

De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de appartementsgerechtigden gezamenlijk als eigenaar in de zin van de NSW 1928 hebben te gelden. De Raad wijst net als de rechtbank op het feit dat uit de parlementaire geschiedenis niet kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om appartementsgerechtigden niet als eigenaar in de zin van de NSW 1928 aan te merken. Dat eventueel onbedoeld gebruik zich kan voordoen wanneer een landgoed in appartementsrechten wordt gesplitst, is naar het oordeel van de Raad van State onvoldoende om de appartementsgerechtigden in de onderhavige casus niet aan te merken als eigenaren in de zin van de NSW 1928, gelet op het feit dat het risico op onbedoeld gebruik zich hier niet voor doet.

Als gevolg van deze uitspraak staat voor onroerende zaken waarvan de eigendom is gesplitst in appartementsrechten de mogelijkheid tot rangschikking als landgoed in de zin van de NSW 1928 in beginsel weer open, mits uiteraard aan de overige voorwaarden voor rangschikking wordt voldaan. Gelet op de vrees van de staatssecretarissen dat dit tot onbedoeld gebruik van de NSW 1928 kan leiden, is het de verwachting dat de wetgever op dit punt in elk geval zal overgaan tot het stellen van nadere voorwaarden waaronder de appartementsgerechtigde als eigenaar in de zin van de NSW 1928 kan worden aangemerkt.

De in dit kader van belang zijnde jurisprudentie en artikelen treft u hieronder aan: