Evaluatie Natuurschoonwet 1928

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft bij de begrotingsbehandeling op 21 december 2012 onder meer vragen beantwoord over de landgoederen die zijn gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928 (‘NSW 1928’). Zo werden onder andere de volgende vragen beantwoord:

‘Hoeveel onder de Natuurschoonwet (NSW) fiscaal bevoordeelde landgoederen zijn er?

Er is voor 5167 landgoederen een beschikking volgens de Natuurschoonwet 1928 (NSW) afgegeven.

 Hoeveel (aantal en oppervlakte) onder de NSW fiscaal bevoordeelde landgoederen zijn agrarische bedrijven?

Omdat een landgoed naar zijn aard een gemengd grondgebruik kent, kan elk landgoed kwalificeren als een agrarisch bedrijf. Een NSW-landgoed moet minimaal voor 30% uit bos of natuur bestaan en er kunnen nog wateren, opstallen en erven op zijn gelegen. De rest van het landgoed kan uit met lijnbeplanting of landschapsbepalende bomen omringde kleinschalige landbouwpercelen bestaan. Intensieve veehouderij is niet toegestaan op een landgoed, maar een melkveehouderij of akkerbouwbedrijf is verenigbaar met de vereisten uit de NSW.

 Hoeveel (aantal en oppervlakte) onder de NSW fiscaal bevoordeelde landgoederen zijn golfbanen?

Er zijn circa 45 NSW-landgoederen die geheel of deels bestaan uit golfterreinen. De oppervlakte kan niet uit de database worden gehaald. Alle golfbanen voldoen aan de eis dat er 30% natuur of bos op staat.

 Hoeveel (aantal en oppervlakte) onder de NSW fiscaal bevoordeelde landgoederen zijn woonhuizen van particulieren?

De functie van de bebouwing op een landgoed wordt niet geregistreerd bij de Rijksoverheid.

Welk deel van de onder de NSW fiscaal bevoordeelde landgoederen is opengesteld voor derden?

2.153 landgoederen van de gerangschikte NSW landgoederen zijn geheel voor het publiek opengesteld. 107 landgoederen van de NSW landgoederen zijn gedeeltelijk opengesteld.

 Hoeveel gederfde inkomsten is het Rijk de laatste 10 jaar misgelopen als gevolg van de vrijstellingen onder de NSW?

Navraag bij de staatssecretaris van Financiën leert dat het antwoord op deze vraag niet kan worden gegeven.’

Naar aanleiding van bovenstaande vragen en antwoorden heeft Tweede-Kamer-lid Van Veldhoven een motie ingediend. Zij constateert dat ‘de landgoederenregeling onder de Natuurschoonwet 1928 belastingvoordelen biedt voor gebieden die heel intensief gebruikt worden, waaronder 45 golfbanen, en dat veel landgoederen niet opengesteld worden voor het publiek.’ Zij is daarom ‘van mening dat hiermee inbreuk wordt gemaakt op de oorspronkelijke doelstellingen van de Natuurschoonwet en de landgoederenregeling.’ Derhalve verzoekt zij ‘de regering, de landgoederenregeling te evalueren, voorstellen te ontwikkelen om deze meer te richten op het bevorderen van het beschermen en openstellen van echte landgoederen, en de beschikkingen van bestaande landgoederen te herkeuren.’

Voorgenomen wijzigingen

De evaluatie is afgerond en bij schrijven van 31 oktober 2016 heeft de Staatssecrataris van Economische Zaken de kabinetsreactie op het evaluatierapport aan de Tweede Kamer gezonden.

In deze brief worden onder meer de volgende wijzigingen genoemd:

  • Voor aanleunende en samenwerkende landgoederen alsmede golfbanen zal het bezettingsvereiste van 30% worden verhoogd naar 50%;
  • De mogelijkheid van rangschikking voor aanleunende landgoederen die kleiner zijn dan 1 ha komt te vervallen, tenzij de eigenaar van het landgoed waarbij wordt aangeleund blooteigenaar is van het aanleunende landgoed;
  • Een nieuw landgoed wordt voortaan pas gerangschikt als de natuur op het landgoed daadwerkelijk is gerealiseerd en conform het natuurinrichtingsplan en/of beplantingsplan wordt beheerd;
  • De natuur moet een robuustere eenheid zijn van minimaal 0,5 ha groot en 30m breed;
  • In het Rangschikkingsbesluit zullen aanvullende regels voor de rangschikking van bebouwing worden opgenomen;
  • Het criterium van aanleg vóór 1850 zal voor de beoordeling of sprake is van een historische tuin komen te vervallen.

Naar aanleiding van diverse vragen uit de Tweede Kamer heeft de Staatssecretaris aangegeven dat een ruime overgangstermijn om aan de nieuwe aangescherpte regelgeving te voldoen, te rechtvaardigen is. Een termijn van 10 jaar lijkt hem hierbij zeer redelijk. Deze overgangstermijn zal in ieder geval gaan gelden voor landgoederen die gerangschikt waren of waarvoor een rangschikkingsverzoek was ingediend ten tijde dat de brief van de Staatssecretaris werd gepubliceerd (3 april 2017).

 De in dit kader van belang zijnde stukken treft u hieronder aan: