Natuurschoonwet 1928 en Europees recht

Eind 2014 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan over de vraag of de Natuurschoonwet 1928 (‘NSW 1928’) in strijd is met het Europese recht.

De casus

De casus die bij het Hof van Justitie voorlag zag op de volgende situatie. Een moeder woont in Nederland en is eigenaar van een in het Verenigd Koninkrijk gelegen landgoed, welk landgoed zij aan haar zoon wil schenken. Omdat voor de schenking van een landgoed in de zin van de NSW 1928 een (gedeeltelijke) vrijstelling geldt, heeft de moeder verzocht om het landgoed aan te merken als landgoed in de zin van de NSW 1928. Dit verzoek is echter afgewezen omdat een onroerende zaak die in het buitenland is gelegen niet als landgoed in de zin van de NSW 1928 kan worden gerangschikt.

De beperking tot in Nederland gelegen landgoederen heeft tot gevolg dat de schenking van een in Nederland gelegen landgoed fiscaal gunstiger wordt behandeld dan de schenking van een in het buitenland gelegen landgoed. Voor het Hof van Justitie lag de vraag voor of deze beperking in strijd is met de vrijheid van kapitaal.

Oordeel Hof van Justitie

Het Hof zet allereerst uiteen dat het doel van de faciliteit de instandhouding van landgoederen die typerend zijn voor het Nederlandse landschap is. Door de faciliteit wordt namelijk voorkomen dat landgoederen verkocht moeten worden om de verschuldigde schenkbelasting te voldoen.

Het Hof van Justitie oordeelt dat de situatie waarin een in het buitenland gelegen landgoed wordt geschonken niet vergelijkbaar is met de situatie waarin een landgoed in de zin van de NSW 1928 wordt geschonken, omdat de faciliteit ertoe strekt landgoederen die tot het nationaal cultuurhistorisch erfgoed behoren in stand te houden. Slechts in het geval een in het buitenland gelegen landgoed een element vormt van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed zou het in het buitenland gelegen landgoed voor rangschikking onder de NSW 1928 in aanmerking komen.

De conclusie van deze uitspraak is dus dat zowel in Nederland als in het buitenland gelegen landgoederen onder de NSW gerangschikt moeten kunnen worden, mits deze landgoederen typerend zijn voor het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed.

Wat als element van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed moet worden verstaan, is door de Staatssecretaris van Financiën bepaald in het besluit d.d. 8 september 2015.

Overigens heeft de Raad van State nadien beslist dat het in het Verenigd Koninkrijk gelegen landgoed geen element van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed vormt en derhalve niet voor rangschikking als landgoed in de zin van de NSW 1928 in aanmerking komt.

De in dit kader van belang zijnde besluiten, jurisprudentie en artikelen treft u hieronder aan: