In concernverhoudingen treden rechtspersonen vaak op als bestuurder, maar ook bij trustkantoren en joint ventures is dit niet ongebruikelijk.

In het kader van de anti-misbruikwetgeving is een wettelijke bepaling (artikel 2:11 BW) opgenomen die moet voorkomen dat een persoon zich kan verschuilen achter de rechtspersoonlijkheid van zo’n bestuurder-rechtspersoon op het moment dat deze zijn taak onbehoorlijk vervult. Het verhaal op een bestuurder-rechtspersoon is immers beperkt tot het vermogen van die rechtspersoon. De wet bepaalt dan ook dat de aansprakelijkheid van een besturende rechtspersoon tevens rust op die bestuurder van die besturende rechtspersoon.

Op het eerste gezicht een heldere bepaling. Toch heeft dit artikel in verschillende opzichten al stof doen opwaaien. In februari 2017 was de Hoge Raad opnieuw aan zet. Aanleiding om de reikwijdte van de doorbreking van de aansprakelijkheid uiteen te zetten.

Reikwijdte begrip bestuurder

In de wettelijke bepaling komt het begrip bestuurder tot twee keer toe voor. Tot 2008 was het onzeker of het begrip beide keren een vergelijkbare betekenis had. Vragen die onder meer speelden, waren of de aansprakelijkheid ook kon worden doorbroken naar een feitelijk beleidsbepaler en of het daarbij verschil uitmaakt of de feitelijk beleidsbepaler op het niveau van de bestuurder-rechtspersoon zat of op het niveau van de indirect bestuurder.

In 2008 heeft de Hoge Raad een einde gemaakt aan die onzekerheid en bepaald dat het begrip bestuurder verschillend moet worden uitgelegd. De indirect bestuurder is alleen aansprakelijk op basis van de doorbrekingsregeling indien deze als statutair bestuurder staat ingeschreven. Dit is niet het geval bij een feitelijk beleidsbepaler en op hem rust dan ook geen aansprakelijkheid. Vervolgens gaf de Hoge Raad aan dat het voor de toepassing van de doorbrekingsregeling niet uitmaakt dat de bestuurder-rechtspersoon statutair bestuurder is, dan wel feitelijk beleidsbepaler van de vennootschap is (klik voor hele uitspraak).

Reikwijdte doorbreking

Begin 2017 heeft de Hoge Raad de reikwijdte van de grondslag voor de doorbreking uitgelegd. De wet kent namelijk verschillende gronden om een bestuurder aansprakelijk te stellen. De route die wordt gekozen hangt af van de relatie tussen de bestuurder en de benadeelde. De gekozen route geeft een bestuurder vervolgens verschillende opties de aansprakelijkheid af te wenden. Er zijn aansprakelijkheidsgronden waaruit expliciet volgt dat deze opties om aansprakelijkheid af te wenden ook openstaan voor indirect bestuurders. Dit is niet het geval bij de aansprakelijkheidsgrondslag: onrechtmatige daad. Hierdoor was niet zeker of de aansprakelijkheid van een bestuurder-rechtspersoon op grond van een onrechtmatige daad automatisch doorbrak naar de indirect bestuurder.

De Hoge Raad heeft mijns inziens terecht geoordeeld dat de doorbrekingsregeling van toepassing is in alle gevallen waarin een bestuurder-rechtspersoon aansprakelijk is op grond van de wet. Deze aansprakelijkheid rust dan ook op iedere indirect bestuurder. Wel behoudt de indirect achterliggende bestuurder gewoon de mogelijkheid om zich te verweren door zelf te stellen en te bewijzen dat hij niet aansprakelijk is. (klik voor hele uitspraak).

Reikwijdte van de internationale doorbreking

In de internationale praktijk is de doorbrekingsregeling eveneens onderwerp van discussie geweest. Hierbij speelde met name de vraag of het tussenschuiven van een buitenlandse vennootschap invloed heeft op de doorbreking van de bestuurdersaansprakelijkheid.

Zodra buitenlandse rechtspersonen de hoek om komen kijken, bestaat de mogelijkheid dat het betreffende buitenlandse recht van toepassing is op de situatie die zich voordoet. Teneinde hier zo min mogelijk onduidelijkheid over te hebben geldt in Nederland het incorporatiestelsel. Dat stelsel houdt in dat een vennootschap wordt beheerst door het recht van het land, waar de vennootschap is opgericht en statutair is gevestigd. Daarnaast is in Nederland specifiek bepaald dat dit recht tevens de vraag beantwoord of een bestuurder aansprakelijk is.

De Hoge Raad werd in 2011 een situatie voorgelegd waarin vier Nederlandse vennootschappen direct werden bestuurd door een andere Nederlandse vennootschap. Deze laatste vennootschap werd op haar beurt bestuurd door een Belgische vennootschap. De aansprakelijkheid van de Nederlandse bestuurder-rechtspersoon kon volgens de Hoge Raad worden doorgebroken naar de Belgische vennootschap. Deze Belgische vennootschap bestuurde immers een vennootschap die is opgericht naar Nederlands recht en in Nederland is gevestigd. Een verdere doorbreking van aansprakelijkheid naar de bestuurder van de Belgische vennootschap, is echter niet mogelijk op grond van de Nederlandse doorbrekingsregeling. Die aansprakelijkheid moet worden beoordeeld naar Belgisch recht (klik voor hele uitspraak).

Het tussenschuiven van een buitenlandse vennootschap kan dus invloed hebben op de doorbreking van aansprakelijkheid. Indien het buitenlandse recht waarnaar de vennootschap is opgericht echter een vergelijkbare doorbrekingsregeling bevat, is de invloed beperkt.

Kortom

De doorbrekingsregeling is ingevoerd met het idee dat bestuurders die zich onbehoorlijk gedragen zich niet kunnen verschuilen achter de rechtspersoonlijkheid van een tussengeschoven bestuurder-rechtspersoon. Uit de rechtspraak blijkt echter dat feitelijk beleidsbepalers en/of bestuurders die zich onbehoorlijk gedragen zich nog steeds kunnen onttrekken aan de doorbreking van de aansprakelijkheid. Ik verwacht ook niet dat dit volledig kan worden voorkomen. Het meest recente oordeel van de Hoge Raad dat de grondslag van aansprakelijkheid geen invloed heeft op de doorbreking van de aansprakelijkheid, lijkt mij in ieder geval juist en in overeenstemming met voornoemde doelstelling.

Meer weten over bestuurdersaansprakelijkheid?

Michèle Manning - advocaat
Michèle Manning
Volg Michèle Manning: