Arbeidsrecht

Als werkgever heb je de beslissing genomen om te stoppen met die ene werknemer. Je hebt het al een tijd aangekeken, maar er geen goede match. Maar, de werknemer is in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en er is geen tussentijds opzegbeding, kan je dan wel uit elkaar? Daar lijkt nu een oplossing voor te zijn, zodat de werknemer toch aansluitend WW kan krijgen. Ik leg jou in dit artikel uit hoe dat mogelijk is. Maar, het blijft risicovol.

Tussentijds opzegbeding

De wet kent een uitgebreide regeling als het gaat om opzegging van de arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld ten aanzien van termijnen en voorwaarden. Natuurlijk moet een werkgever een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben, als het er uiteindelijk op aankomt. Meestal gaan partijen eerst met elkaar in gesprek en vaak lukt het om onderling afspraken te maken. De arbeidsovereenkomst wordt dan met wederzijds goedvinden beëindigd en die afspraken worden vastgelegd in een beëindigingsovereenkomst, ook wel vaststellingsovereenkomst genoemd. Formeel wordt de arbeidsovereenkomst dan niet opgezegd. Moet je dan wel rekening houden met een opzegtermijn? Nee, dat is geen verplichting, maar het UWV houdt daar wel rekening mee bij het bepalen van de ingangsdatum van de WW-uitkering, als de werknemer die aanvraagt. Ik kom daar hieronder op terug.

Voor arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd geldt een bijzondere regeling. Volgens de wet kan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd alleen tussentijds worden opgezegd als dat schriftelijk is afgesproken. Dat betekent dat beide partijen dus niet zonder instemming van de ander eerder uit elkaar kunnen.

In dit ARTIKEL lees je alles over de vaststellingsovereenkomst en waar je rekening mee moet houden.

Wanneer heeft werknemer recht op WW?

Het is dus mogelijk dat werkgever en werknemer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd toch voortijdig beëindigen met wederzijds goedvinden, ook al is geen tussentijds opzegbeding afgesproken. Hoe handelt het UWV als de werknemer aansluitend aan het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst een WW-uitkering aanvraagt? Artikel 19 lid 4 WW is dan van toepassing:

4. Geen recht op uitkering heeft de werknemer totdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou zijn verstreken, indien deze tussentijds met wederzijds goedvinden is geëindigd, zonder dat in die arbeidsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen dat deze tussentijds kan worden opgezegd als bedoeld in artikel 667, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Het UWV kent op grond van dit artikel pas een WW-uitkering toe per het einde van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, als geen schriftelijk tussentijds opzegbeding is afgesproken. Deze bepaling is nog maar een paar jaar oud en ik kon er geen andere uitspraken over vinden.

Rechtbank Amsterdam denkt met werknemer mee

Recent moest de rechtbank in Amsterdam oordelen over een dergelijke situatie. Werkgever en werknemer hadden een beëindigingsovereenkomst gesloten nadat de werknemer op staande voet was ontslagen en de werknemer zich daartegen had verzet. De arbeidsovereenkomst was voor bepaalde tijd aangegaan en er was oorspronkelijk geen tussentijds opzegbeding afgesproken. Oeps, maar partijen waren daar wel kien op geweest, dus hadden bedacht dat zij in de beëindigingsovereenkomst konden opnemen dat alsnog een tussentijds opzegbeding werd afgesproken. Het UWV ging daar niet mee akkoord. Als dat werd toegestaan, dan kon artikel 19 lid 4 WW omzeild worden. Het zou een wassen neus worden.

De kantonrechter dacht daar anders over. De wet stelt niet dat een tussentijds opzegbeding bij aanvang van de arbeidsovereenkomst afgesproken moet worden en ook niet dat er een bepaalde tijd moest liggen tussen het overeenkomen van zo’n beding en het sluiten van beëindigingsovereenkomst. Arbeidsovereenkomsten kunnen tussentijds worden aangepast, dat is de contractsvrijheid van partijen. Wel wordt de voorwaarde gesteld dat het tussentijds opzegbeding schriftelijk wordt afgesproken, daar was aan voldaan. Het stond namelijk in de beëindigingsovereenkomst. Toen de WW werd aangevraagd, was er dus een tussentijds opzegbeding en kon het UWV de uitkering dus niet weigeren.

Eén zwaluw maakt geen zomer

Ik lees vele blogs van collega’s die op basis van deze ene uitspraak stellen dat dit een zekere oplossing is. Dat weet ik nog niet zo. Het betreft namelijk ‘slechts’ de Rechtbank Amsterdam en het UWV kan nog in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Dat ligt zeker voor de hand en die zou daar nog anders over kunnen denken. Bovendien zou UWV zich ook kunnen beroepen op een ander artikel, namelijk artikel 24 lid 5 WW:

De werknemer is verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 25.

Wellicht dat het UWV deze troef in een andere zaak alsnog op tafel legt. Pas dus op met deze oplossing. Er schuilt nog een zeker risico in!

Andere oplossingen

In de praktijk zie ik nog weleens andere oplossingen. De meest vergaande optie is het opmaken van een nieuwe oorspronkelijke overeenkomst, mét tussentijds opzegbeding. Zeer de vraag of dat zo is toegestaan, maar ik zie het vaker langskomen. Alternatief is het sluiten van een addendum. Maar hoelang moet je dan daarna wachten met het sluiten van een beëindigingsovereenkomst? Genoeg vragen die resteren.

Meer weten over ontslag van werknemers, neem dan vrijblijvend contact met ons op.

Daniël Maats - arbeidsrechtadvocaat
Daniël Maats

Wat is jouw droomscenario?

Volg Daniël Maats: